31 augustus 2017

we liepen het station uit, langs een pandhofje met bloemen
de dom, een kerk, het voormalig huis van je opa en oma
waar je ’s maandags tegen de kerk aan voetbalde en naar pianoles ging
we dronken muntthee op een toeristenterras dat we allebei stom vonden
maar daar was zon en dat wilde ik

ik kan je mijn ouderlijk huis laten zien? zei je
mijn ouders zijn toch niet thuis

we liepen over grachten met panden met vier verdiepingen, in amsterdam zijn het er vijf
langs de kerk waar we allebei eens naar een concert waren geweest
door het park waar je voor het eerst wiet rookte, nadat je op school voorlichting had gekregen over soa’s en drugs
dat had je op ideeën gebracht
langs het veldje waar je altijd kratjes bier dronk enzo
wat altijd kut was en altijd chill
we kochten aardbeien voor thuis en voor het vakantiegevoel
deze straat zei je, helemaal aan het begin
ik zou dat het einde noemen: het einde van deze straat

de schoonmaakster was er en ik probeerde daar niet verbaasd over te zijn
er waren hoge plafonds en veel dingen uit afrika en een fotocollage van een vakantie in portugal
boeken in elk vertrek en een balkon begroeid met druiven
en in de kamer van je zusje kon ik aan haar dichtbundels zien dat ik vrienden met haar zou zijn geweest
niks van ikea, een tuin aan het water
waar jullie ’s zomers zwommen en ’s winters schaatsten
dat kan nooit meer want broeikaseffect

is dat je vriendin? vroeg de schoonmaakster
en ik vroeg me af waarom er maar 1 woord is voor je vriendin en een vriendin
en of ik me dat ook af zou hebben gevraagd als ik niet een vriendin was geweest
fatima heette de schoonmaakster en ze had de thee al voor ons ingeschonken
leuk je te ontmoeten zei ik zonder het te menen

en we zaten aan het water met koekjes en thee en onze voeten over het randje in de kano
en we spraken over dingen in de wereld
hypes zijn stom; armbandjes met schelpen fijn
als ik niet een maar je vriendin was had ik ze aangeraakt:
die schelpen en vooral je pols

je moeder stond uit haar werk in de tuindeuropening
en ik liep naar haar toe en zij naar mij, onze handdruk lukte goed
en ze heette mirjam en ze keek me aan
ik ben nog van natuurkunde zei ik, leuk je te ontmoeten
en we bleven staan en praten en jij zat nog aan het water
en ik vroeg me af of je wist
hoeveel ik nu al van je moeder hou

ik ga boodschappen doen zei ze
ik vroeg me af of je het fijn vond dat ze wegging
of je ervan baalde dat zij mij had gezien – of ik haar
ik niet
ik wilde dat ze altijd bleef

we maakten meer thee
jij at je aardbeien zonder kroontje, ik met
de keukenkast leek ultramarijn en deed me denken aan klein en giotto
de glazen potten erin met havermout, rijst, noten kwamen rechtstreeks uit mijn kinderdromen

je moeder kwam weer thuis, met sojamelk voor jou want de zuivelindustrie is slecht
ze gaf me worteltjes om te eten en het maakte me blij
dat ik haar nog gedag kon zeggen toen ik ging
ik liep de trap op, klopte op de deur van haar studeerkamer, zei gedag
tot ziens zei ze
neem de volgende keer je zwemspullen mee

heeft ze dat echt gezegd? ik twijfel nu
(ze zei sowieso niks over schaatsen; broeikaseffect)

je bracht me naar het station, helemaal tot op het perron
thuis at ik aardbeien zonder kroontjes

Geef een reactie